Rosie lijkt alles op orde te hebben: ze heeft een geweldige baan als wetenschapper bij een ziekenhuis en ze heeft leuke vrienden. Regelmaat: daar houdt ze van.
Haar overzichtelijke leven wordt op z’n kop gezet door de komst van een nieuwe collega: de aantrekkelijke, maar onuitstaanbare Benjamin uit Engeland, met wie ze moet strijden om een felbegeerde promotie.
Zal ze haar hoofd of haar hart volgen?
“Enemies to lovers op z’n best. LOVE IT.”
Hoofdstuk 1
Zonder om te kijken weet ik plotseling wie er achter me staat. Zijn ogen priemen in mijn rug. Hij is als een luipaard, sluipt geruisloos rond, klaar om zijn prooi van achter aan te vallen. Eén van de vele dingen aan hem die me op mijn zenuwen werken.
‘Rosalie.’ Hij gunt me niet meer dan mijn naam, in dat overduidelijke Britse accent. Hoeveel moeite is het om te beginnen met ‘good morning’, zoals ieder ander welgemanierd persoon? Elk extra woord lijkt voor hem een verspilling van zijn adem.
Weg is mijn gelukzalige moment om in stilte op te starten. Een zucht ontsnapt uit mijn mond, waarna ik me omdraai en hem mijn meest glunderende, gespeelde glimlach schenk. Ik knipper overdreven met mijn ogen, omdat ik weet dat hem dat irriteert.
‘Goedemorgen, Benjamin. Heb je een goed weekend gehad?’
Zoals altijd ziet hij er onberispelijk uit. Zijn brede schouders zijn gestoken in een keurig gestreken donkerblauw overhemd, dat hij draagt boven op een zwarte spijkerbroek. Zijn dikke donkerbruine haar dat neigt naar zwart zit netjes achterovergekamd. Hij kijkt op me neer en het feit dat hij zeker een meter negentig is en ik een meter zestig ben en op een stoel zit, maakt de hele situatie nogal onheilspellend. Maar ik laat me niet kennen. Ik recht mijn rug, hef mijn kin en doe net alsof ik niet onder de indruk ben.
‘Je zit in mijn kamer.’
Als iemand me vraagt wat killer is, zijn blik of zijn stem, dan weet ik het antwoord niet. Wat ik wel weet, is dat ze samen de wereld binnen een mum van tijd terug naar de ijstijd kunnen brengen.
Uitdagend kijk ik hem aan. ‘De laatste keer dat ik het checkte, waren dit gezamenlijke vergaderruimtes. Er is dus niets van jou bij.’
Zijn kaken spannen zich ritmisch aan, zijn mond is niet meer dan een dunne lijn. ‘Dat zie je verkeerd, Rosalie. Deze kamer heb ik van halfacht tot negen gereserveerd.’
Mijn ogen gaan automatisch naar de klok. Het is precies één minuut over halfacht. Wie reserveert er nou een vergaderkamer wanneer de meeste werknemers pas vanaf negen uur binnendruppelen? Oké, ik heb een denkfout gemaakt. In onze huisregels staat inderdaad dat je een vergaderruimte moet reserveren. Technisch gezien heeft Benjamin gelijk, maar ik weiger om dat toe te geven.
Ik sla mijn benen over elkaar en trek mijn groene jurk recht. ‘Zou je een andere ruimte willen nemen? Ze zijn allemaal vrij. Ik ben hier net helemaal opgestart.’ Ik gebaar naar de papieren die verspreid voor me liggen.
Hij slaat zijn armen over elkaar heen en leunt tegen de deurpost. Hij maakt niet de minste aanstalten om te vertrekken. ‘Over dertien minuten heb ik een belangrijke vergadering.’
Hij benadrukt het woord belangrijke. Alsof ik ook maar iets anders zou denken dan dat zijn agenda uit een aaneengesloten reeks van urgente zaken bestaat. Iemand zoals hij besteedt zijn tijd namelijk niet aan futiliteiten. Nieuwsgierig vraag ik me af met wie hij zo vroeg heeft afgesproken. Zodra ik mijn mond open, is hij me voor. ‘Het gaat je niks aan met wie de vergadering is. Dus als je zo vriendelijk zou willen zijn…’ Hij maakt zijn zin niet af, vast ook in het kader van efficiënt woordgebruik.
Ik voel geen enkele behoefte om vriendelijk te zijn. Hij is werkelijk onverdraaglijk. Ik zucht luidruchtig, maar weet, deze strijd ga ik niet winnen. Regels zijn regels en normaal gesproken volg ik die maar al te graag. Nu voelt het echter alsof de regels me hebben verraden. De dag is verdorie pas net begonnen en het is al één-nul in het voordeel van Benjamin.
Ik werp een weemoedige blik uit het raam van onze veertiende verdieping en zie hoe de opkomende zon de rivier waarop we uitkijken doet schitteren. Al jaren begin ik mijn werkdag steevast in deze kamer, aanschouw ik hoe de stad uit zijn slaap ontwaakt en tot leven komt. Het is mijn ochtendroutine. Ooit was deze plek mijn kantoor. Na de verbouwing van de afdeling tot een open kantoortuin met slechts een beperkt aantal aparte kamers is dit een gemeenschappelijke vergaderruimte geworden. Het was echter nooit een probleem om hier rustig te beginnen. Tot vandaag, blijkbaar.
Vanuit mijn ooghoek zie ik Benjamins voet ongeduldig op de vloer tikken. Pruttelend sta ik op en raap mijn spullen bijeen. Het duurt even, want ik had net de tafel bezaaid met artikelen die ik wilde uitpluizen ter voorbereiding op mijn nieuwe onderzoeksproject. Terwijl ik mijn handen vol heb en moeite moet doen om niks te laten vallen, kijk ik hem nijdig aan. Hij verblikt of verbloost niet, hij is de koning van het onverschillig kijken.
‘Veel plezier dan met je belangrijke vergadering.’
Ik loop hem voorbij, draai een kwartslag en pers me door de deuropening omdat hij geen millimeter voor me opzijgaat. Ik voel de warmte van zijn lichaam en onbewust snuif ik zijn aftershave op. Tot mijn grote irritatie is het een plezierige combinatie van citrusvruchten, lavendel en hout die me doet denken aan vroegere zomervakanties in de Provence.
- Verschenen
- 12 juni 2024
- Uitgever
- Ambo|Anthos
- ISBN
- 9789047209539, 9789047209546
- Storytel
- 4,2 (81 waarderingen)
- Kobo
- 4,3 (89 waarderingen)
- Hebban
- 4,1 (137 waarderingen)




